| • |
Houdt de smeltschotel (top) van de kaars met de vloeibare was altijd schoon. |
| • |
Laat de kaars zolang branden totdat de smeltschotel (top) van de kaars volledig met vloeibare was gevuld is. |
| • |
Brandt de kaars ongelijkmatig af, buigt dan voorzichtig de pit, tijdens het branden, naar de hoogste kant. |
| • |
Knipt de pit als de vlam walmt tijdens het branden met een
schaar korter (tot op ca. 1 cm). |
| • |
Drukt van tijd tot tijd de weke kaarsenrand iets naar binnen. |
| • |
Dooft de kaars door de pit in de vloeibare was te dopen en richt haar dan weer licht gebogen op. |
| • |
Breekt de verkoolde pit nooit af als zij weer aangestoken wordt. |
| • |
Is de pit te kort, snijdt dan de kaars zo af, dat de lengte van de pit ongeveer 1 cm bedraagt. |